default logo

Sensomotorische informatieverwerking

Sensomotorische informatie

Sensomotorische informatieverwerking is de samenwerking tussen waarnemen en bewegen. Hierdoor is het mogelijk om bewegingen in doelgerichte handelingen om te zetten en ons bewust te worden van onszelf en onze omgeving.

 

Zintuigen

Het waarnemen is niet langer verdeeld over de traditionele 5 zintuigen: zien, horen, voelen, proeven en ruiken, maar er zijn er nog 2. Het menselijk lichaam heeft veel organen waarmee het kan waarnemen, zoals het evenwichtsorgaan (vestibulair) en de propriocepsis: orgaantjes in de spieren en gewrichten om te informeren over houding en beweging. Bij het bewegen worden vooral spieren en gewrichten gebruikt. Het waarnemen wordt ook wel sensoriek genoemd en het bewegen motoriek. Waarnemen is altijd met bewegen verbonden en het bewegen met het waarnemen. Het is niet mogelijk om te bewegen zonder iets waar te nemen, er en kan niet worden waargenomen zonder te bewegen.

De zintuigen hebben eenvoudig gezegd twee taken: waarschuwen voor gevaar en het herkennen van informatie. Het waarschuwen voor gevaar heeft voorrang. De mens selecteert de zintuigprikkels die op hem afkomen en ‘kiest’ op welke manier hij zal reageren. Dit ‘kiezen’ gebeurt grotendeels onbewust.

Prikkel 

Laag waarschuwend: Dringt niet door tot je bewustzijn, we schenken er geen aandacht aan. Dit is belangrijk om je te richten op relevante prikkels, anders zie je door de bomen het bos niet meer.

Op zintuigprikkels die bekend zijn hoeven we de aandacht niet speciaal te richten. Deze verwerking loopt automatisch, zoals het voelen van je kleren.

Gemiddeld waarschuwend: Het waarschuwend vermogen van deze prikkels is zodanig, dat deze prikkels tot je bewustzijn doordringen en de aandacht wordt erop gericht. We gaan de prikkel herkennen. Het is belangrijk dat je nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, het belevingsaspect is belangrijk om de informatie uit de zintuigprikkel te laten doordringen.

Hoog waarschuwend: Deze prikkels zetten aan tot vluchten, vechten of verstarren van angst. Deze prikkels waarschuwen voor gevaar, het is niet veilig. Deze prikkels verstoren alle bezigheden wat iemand ook aan het doen is. Het is een instinctieve reactie. Het waarschuwende vermogen van deze prikkel blokkeert ons gevoel, het voorkomt dat we de situatie gaan onderzoeken en dat we pijn voelen. We willen de prikkel kwijt.

Overleving
We vermijden de integratie van zintuigprikkels, door de prikkels buiten onszelf te houden. Het is niet mogelijk en wenselijk om op alle zintuigprikkels te reageren, het zou overprikkelbaarheid tot gevolg hebben. In eerst instantie wordt een binnenkomende prikkel beoordeeld op ‘ veilig’ of ‘ onveilig’ . Bij veilig hoeft er geen actie ondernomen te worden, maar bij onveilig is actie van levensbelang. Zintuigprikkels letten er in de eerste instantie op of er geen gevaar dreigt.

Beleving
De informatieve functie van een zintuigprikkel komt pas aan bod als er geen gevaar dreigt. Het is dan wel nodig dat er ook nog iets aan de prikkel te beleven valt. De prikkels die we tot ons door laten dringen, zijn prikkels waar iets aan te beleven is. Prikkels die voor ons betekenis hebben en boeiend genoeg zijn om de aandacht te richten en vast te houden. De ex-afferente zintuiginformatie (prikkel van buitenaf) wordt omgevormd tot re-afferente zintuiginformatie (prikkel die je zelf veroorzaakt).

Overleven en beleven gaan niet samen, meer van het een is altijd minder van het ander. Overleven en beleven kunnen elkaar op deze manier wederzijds beïnvloeden.

 

Alertheid

Een aspect dat een belangrijke rol speelt bij de verwerking van zintuiginformatie is de mate van onze alertheid. Alertheid kan worden beschouwd als een criterium voor ons bewustzijn. Bewustzijn staat voor (1) de manier waarop de werkelijkheid wordt ervaren, (2) het vermogen ergens aan te denken, de aandacht ergens op te richten en (3) de toegang tot het denken, onze kennis of onze manier van handelen, het weten dat we iets weten of iets kunnen. Het bewustzijn van onze handelingen maakt het mogelijk van onze handelingen te leren en bewuste keuzes te maken over ons gedrag.

Bij alle therapeutische interventies lijkt een zo goed mogelijk functionerend bewustzijn een eerste vereiste. Om de invloed van de verschillende ‘ toestanden van bewustzijn/alertheid’ p[ de manier van zintuiginformatie te bekijken, voldoet de volgende indeling:

Toestand 1: slapen

We laten de meeste prikkels langs ons heen gaan. Afhankelijk van hoe diep we slapen, zullen we wel reageren op prikkels met een sterk waarschuwend vermogen. Omdat een prikkel met een sterk waarschuwend vermogen nodig is om ons wakker te maken, is er een grote kans dat we niet eerst in toestand 2 of 3 belanden, maar meteen in toestand 4 of 5.

Toestand 2: wakker en ongericht actief

Toestand 4a: wakker en gespannen actief

Toestand 4b: wakker en gespannen passief

Een gedeelte van de prikkels met een gemiddeld waarschuwend vermogen gaan langs ons heen of we interpreteren deze als gevaarlijk. Het lukt ons niet om alle belangrijke informatie in ons op te nemen. We horen bijvoorbeeld niet alles wat er wordt gezegd in de klas. Gedeeltelijk gebruiken we de overlevingsstrategie en gedeeltelijk de belevingsstrategie.

Toestand 3: wakker en gericht actief

In deze toestand zijn we in staat om alle belangrijke informatie in ons op te nemen. We richten onze aandacht op de juiste dingen. We zijn betrokken bij wat we doen en geconcentreerd aan het werk. Over het algemeen hebben we plezier in onze werkzaamheden. De zintuigen zijn er vooral gericht om ons van informatie te voorzien. We voelen ons veilig, waardoor zintuigen zich niet met het waarschuwen voor gevaar hoeven bezig te houden. We zijn in deze toestand het beste in staat om informatie op te nemen. Ook prikkels die onze veiligheid bedreigen kunnen we het beste hanteren in deze toestand. Voorbeeld; een baby in toestand 3 zal van een vaccinatie in zijn arm minder van streek raken dan in een van de andere toestanden.

Toestand 5: huilen of andere emotionele ontlading (schreeuwen, stampvoeten, lachen)

Op prikkels met een gemiddeld en sterk waarschuwend vermogen, reageren we alsof we in gevaar zijn en gaan nog harder huilen. Prikkels met een laag waarschuwend vermogen zijn waarschijnlijk niet in staat om tot ons door te dringen en laten we langs ons heen gaan. We gebruiken onze overlevingsstrategie.

Om te zien in welke toestand een kind zich bevindt, kun je onder meer kijken naar de evenwicht reacties, opvangreacties en oprichtreacties. Samengevat overheerst in toestand 4 het gebruik van oprichtreacties, in toestand 3 de evenwicht reacties en in toestand 2 de opvangreacties. Onze alertheid heeft in de eerste plaats te maken met de manier waarop wij ons in evenwicht houden, maar beïnvloedt hierdoor ook al onze verdere activiteiten.

 

Problemen met de sensomotorische integratie

Wanneer er problemen zijn in de sensomotorische integratie, wordt op teveel prikkels niet gereageerd en op andere zintuigprikkels wordt er juist te sterk gereageerd met de zogenaamde schrik-, vlucht- of vechtreacties. Er wordt maar een beperkt aantal zintuigprikkels als waardevol en boeiend ervaren. De alarmerende functie van het vestibulaire of tactiele systeem is te zwak of te sterk, zodat een adequate motorische reactie niet mogelijk is. Hierdoor wordt de propriocepsis onvoldoend ingeschakeld, waardoor problemen ontstaan met de stabiliteit en het gevoel van veiligheid. Bij kinderen met SI problemen overheerst de overlevingsstrategie. Ze kiezen ervoor om de zintuigprikkels:

  • langs zich heen te laten gaan (ondergevoeligheid van dat bepaalde zintuigsysteem)
  • hen voortdurend te laten storen (overgevoeligheid van dat bepaalde zintuigsysteem)

 

Behandeling

Kinderen met S.I.-problemen kunnen worden aangemeld bij een therapeut. Er zijn ergotherapeuten, fysiotherapeuten en logopedisten die gespecialiseerd zijn in de behandelmogelijkheden van de S.I. Na aanmelding zal deze eerst bekijken wat er precies aan de hand is. Er zullen testen en observaties worden afgenomen en ouders of verzorgers zullen meestal ook gevraagd worden een lijst in te vullen. Desgewenst kunnen ook de school of andere hulpverleners bij de behandeling worden betrokken.

In de therapie wordt veel gebruik gemaakt van spelmateriaal dat de verwerking van zintuiglijke informatie stimuleert. Er wordt gekeken op welke gebieden problemen bestaan en welke zintuiginformatie juist gestimuleerd of beperkt moet worden. Er kan samen met ouders en kind gekeken worden welk ‘Zintuiglijk Activiteiten Programma (ZAP)’ voor het kind zinvol is, zodat hij of zij ook thuis kan profiteren van een andere benadering. Over het algemeen wordt de therapie op een speelse manier aangeboden. Het kind heeft inbreng in de activiteiten, en kan zo ook laten zien wat het wèl kan.

Bron: NSSI

 

Checklist sensorische modulatieproblemen

Problemen met aanraking, beweging en lichaamshouding zijn duidelijke aanwijzingen voor sensorische integratiestoornis, maar het kind reageert soms ook op ongebruikelijke manier op bepaalde taferelen, geluiden, geuren en smaken.


Hyperreactief kind (‘ Oh nee!’ ) overgevoelig

Aanraking:
Vermijdt het om voorwerpen of mensen aan te raken of erdoor te worden aangeraakt. Reageert agressief of angstig op vies worden, bepaalde texturen van kleding of voedsel en op lichte en onverwachte  aanrakingen. Wil niet graag op schoot zitten, geen ‘ knuffelkind’. Houdt niet van zachte materialen en vochtige materialen (zoals klei, verf, lijm).

Vestibulair:
Vermijdt beweging en onverwacht bewogen worden. Is onzeker of bang om te vallen of zijn evenwicht te verliezen. Houdt zijn voeten op de grond. Wordt gauw wagenziek.

Propriocepsis:
Is soms stram en ongecoördineerd. Vermijdt speeltuinactiviteiten waarbij de spieren aan sterke prikkels blootstaan. Lage basisspierspanning. Kruisen middellijn niet, zetten nek vast. Brengen voorwerp wel in middellijn, maar pakken niet met links een blokje aan de rechterzijde. Voorbeeld: De zwemjuf zegt dat je in het water mag springen, kunnen dit zelf niet goed inschatten, alsof je voor een grote zwarte put staat en er wordt gezegd dat je erin mag springen en dat er niks kan gebeuren.

Zicht:
Het kind raakt over zijn toeren als er te veel te zien is (woorden, speelgoed of mensen). Bedekt zijn ogen, weinig oogcontact, is niet met zijn hoofd bij zijn werk, over reageert op fel licht. Is altijd alert en op zijn hoede.

Gehoor:
Bedekt oren om geluiden of stemmen buiten te sluiten. Klaagt over geluiden van bijvoorbeeld een stofzuigen, waar anderen geen last van hebben. Of maken juist zelf veel geluid om jou te overstemmen of te voorkomen dat je geluid maakt.

Reuk:
Vinden van alles stinken. Ruiken aan dingen waar niet veel aan te ruiken is, zoals zand of rijst.

 

Smaak/eten/taal:
Heeft grote bezwaren tegen bepaalde texturen en temperaturen van etenswaren. Regelmatig kokhalzen komt voor. Kan juist ook veel eten, blijven stouwen om het gevoel te dempen, eten wel netjes. Het wurgreflex heeft zich onvoldoende naar achteren verplaatst, zodat er problemen met eten ontstaan. Tandenpoetsen en tandartsbezoek zijn ook een probleem.

 

Hyporeactief kind (‘ is er wat?’) ondergevoelig

Aanraking:
Is zich niet bewust van zijn vieze gezicht, handen of kleren en merkt soms een aanraking niet op. Neemt niet waar hoe dingen aanvoelen en laat vaak voorwerpen vallen. Heeft geen drang om speelgoed te pakken. Hoge pijngrens.

Vestibulair:
Merkt niet dat hij wordt bewogen of maakt er geen bezwaar tegen. Merkt niet dat hij valt en beschermt zichzelf slecht. Komt meestal niet uit zichzelf in actie, maar als dat eenmaal het geval is, kan hij een hele tijd schommelen zonder duizelig te worden.  Richt het hoofd te weinig, dit heeft invloed op het kijken en het oogcontact met het kind. Het gedissocieerd bewegen in de mond wordt hierdoor bemoeilijkt.

Propriocepsis:
Heeft geen aanvechting om voor spelletjes in beweging te komen. Wordt helderder na het actief duwen, trekken, optillen en dragen van zware dingen. Neemt onvoldoende steun op de grond, dit kan de oprichtreacties versterken. Voor het handhaven van het evenwicht moet vooral het hoofd worden gebruikt. Slechte oog-hand coördinatie. Moeite met automatiseren van handelingen, motorplanning. Schieten door in bewegingsprikkels, kunnen niet stoppen. Voorbeeld: rennen en op de knieën door de zaal schuiven. Meteen in klimrek klimmen bij binnenkomst in zaal.

Zicht:
Negeert nieuwe visuele prikkel, zoals obstakels. Reageert langzaam op naderende voorwerpen. Wendt zich niet af van fel licht. Kijkt door gezichten en voorwerpen heen.

Gehoor:
Negeert normale geluiden en stemmen, maar reageert soms wel op een overdreven beat of extreem harde, nabije of plotselinge geluiden.Kind laat geluiden te veel langs zich heen gaan en luistert onvoldoende.

Reuk:
Is zich vaak niet bewust van vieze geurtjes en kan zijn eten niet ruiken.

Smaak/taal:
Is soms in staat om zonder reactie flink gekruid voedsel te eten. Wurgreflex ligt te ver naar achteren, bang voor drinken en eten in verband met verslikken. Mond vol proppen met eten, slordig eten. Problemen met woordvinding en zinsbouw.Slordige articulatie.

 

Prikkelzoekend kind (‘ Meer!’ )

Aanraking:
Wentelt zich met overgave in de modder, gooit speelgoedkisten leeg en rommelt er doelloos doorheen, kauwt op oneetbare dingen, wrijft langs muren en meubilair en loopt tegen mensen aan.

Vestibulair:
Snakt naar snelle, draaiende bewegingen en wordt vaak niet duizelig. Is voortdurend in beweging, friemelt, hangt graag ondersteboven, is een waaghals en neemt grote risico’s.

Propriocepsis:
Snakt naar stevige omhelzingen. Wil graag zwaar werk doen en doet inspannendere spelletjes dan anderen.

Zicht:
Zoekt visueel stimulerende taferelen en schermen op en blijft dan lang kijken. Wordt aangetrokken door fel, flikkerend licht, zoals van een stroboscoop of zonlicht dat door luxaflex valt.

Gehoor:
Reageert positief op harde geluiden of een tv die hard aanstaat. Houdt van drukte en plekken met veel actie. Spreekt soms met luide stem.

Reuk:
Zoekt sterke, en zelfs nare geuren op, ruikt aan eten, mensen en voorwerpen.

Mond:
Likt soms aan oneetbare dingen, zoals klei en speelgoed. Kan de voorkeur geven aan scherp of erg warm eten.

 

Checklist sensorische discriminatieproblemen

Kind met sensorische discriminatiestoornis (‘ Hè?’)

Aanraking:
Kan niet bepalen waar hij op zijn lichaam wordt aangeraakt. Heeft een gebrekkig lichaamsbewustzijn en weinig ‘voeling’ met handen en voeten. Kan met alleen voelen en zonder kijken geen onderscheid tussen voorwerpen maken. Kleedt zich slordig en is erg onhandig met knopen, mutsen e.d. Gaat inefficient om met bestek en schoolspullen. Heeft soms ook moeite met het verwerken van prikkels als pijn, temperatuur e.d. en met het bepalen of een blauwe plek ernstig is, of pijn minder of erger wordt en of hij het koud of warm heeft.

Beweging en balans:
Voelt niet dat hij valt, vooral niet met ogen dicht. Raakt makkelijk in de war als hij zich omdraait, van richting verandert of wanneer hij in een houding staat waarbij zijn hoofd niet rechtop is. Kan het vermogen missen om te zeggen wanneer hij genoeg beweging heeft gehad.

Lichaamshouding en spierbeheersing:
Is soms niet vertrouwd met zijn eigen lichaam en mist ‘ inwendige ogen’. Is onhandig en vindt het lastig om zijn ledematen in de juiste positie te houden om kleren aan te trekken of te gaan fietsen. Is niet in staat bewegingen soepel te doseren, en gebruik te veel of juist te weinig kracht bij het hanteren van potloden en speelgoed, het openduwen van een deur of het wegschoppen van een bal. Kan bij interacties tegen anderen aanbotsen of bovenop ze duiken.

Zicht:
Als het probleem wordt veroorzaakt door SI (en niet bijvoorbeeld door slecht zien), kan het kind gelijkenissen en verschillen tussen plaatsjes, geschreven woorden, voorwerpen en gezichten verwarren. Bij sociale interacties kunnen gezichtsuitdrukkingen en gebaren hem ontgaan. Heeft moeite met visuele opdrachten, zoals het opstellen van kolommen met cijfers of bepalen waar dingen, waaronder hijzelf, zich in een ruimte bevinden en het vermijden van voorwerpen bij het lopen.

Gehoor:
Als het probleem wordt veroorzaakt door SI (en niet bijvoorbeeld door een oorinfectie of dyslexie), kan het kind moeite hebben met het herkennen van verschillen tussen geluiden, vooral medeklinkers aan het eind van een woord. Kan geen rijmpjes nazeggen of zelf bedenken. Zingt vals. Het kan hun eigen articulatie slecht beïnvloeden, omdat ze niet goed horen of ze een woord wel goed uitspreken. Dit kan ook spellingsproblemen veroorzaken.

Let op anderen om aanwijzingen te krijgen, omdat verbale instructies soms verwarrend zijn. Heeft slechte hoorvaardigheden en kan bijvoorbeeld de stem van de leerkracht niet van een rumoerige achtergrond onderscheiden of op een stemgeluid letten zonder door andere geluiden te worden afgeleid.

Reuk en smaak:
Kan geen onderscheid maken tussen verschillende geuren, zoals citroen, azijn en zeep. Kan geen smaken van elkaar onderscheiden of zeggen wanneer iets te scherp, te zout of te zoet is. Kan voedsel op uiterlijk kiezen of afwijzen.

 

Checklist sensomotorische stoornis

SI posturale stoornis, heeft betrekking op problemen met bewegingspatronen, balans en coördinatie (het gelijktijdig gebruik van beide zijden van het lichaam). Het probleem gaat vaak gepaard met een

gebrekkige reactiviteit en sensorische discriminatie.
Kind met posturale stoornis (‘ Ik wil niet’ )

Bewegingscomponenten:
Kan gespannen zijn of juist slappe spieren hebben, dingen slap vasthouden en het moeilijk vinden om een stabiele positie te vinden en vast te houden. Vindt het moeilijk om ledematen te buigen en te strekken. Gaat vaak onderuitgezakt zitten. Vindt het moeilijk om zijn gewicht te verplaatsen bij kruipen of zijn lichaam te draaien voor het werpen van een bal. De hoofdhouding ten opzichte van de rest van het lichaam is cruciaal voor het gebruik van de mond voor verschillende functies. Mogelijk is er een relatie tussen taalgebruik en deze houdingsproblematiek.

Balans:
Verliest bij lopen of veranderen van positie gemakkelijk zijn evenwicht. Struikelt bij het minste of geringste.

Bilaterale coördinatie:
Heeft moeite met het tegelijkertijd gebruik van beide zijden van zijn lichaam om symmetrische te springen, een bal te vangen, te klappen, de schommel vast te houden en te slingeren. Vindt het lastig om met zijn ene hand de andere hand te helpen, om bijvoorbeeld papier vast te houden bij het knippen of een kopje bij het inschenken.

Unilaterale coördinatie:
Heeft soms geen duidelijke handvoorkeur. Kan beide handen gebruiken of een voorwerp te pakken of dingen als pennen en vorken te hanteren. Kan een voorwerp overpakken, met de ene hand eten, maar met de andere tekenen of met beide handen knippen.

De middellijn passeren:
Kan moeite hebben met het gebruik van een hand, voet of oog aan de andere kant van het lichaam, zoals het gebruik van een hand om een lijn van de ene kant naar de andere kan over een papier te trekken of een zin te lezen.

 

Dyspraxie
Praxie is gebaseerd op zowel het onbewuste verwerken van sensorische informatie als op bewust nadenken. Het dyspractische kind heeft moeite met het uitvoeren van gecoördineerde, willekeurige

 

Kind met dyspraxie (‘ Dat kan ik niet’ )

Componenten van praxie:
Het kind kan moeite hebben met (1) het bedenken van een nieuwe complexe handelingen, (2) het bedenken van opeenvolgende stappen en het organiseren van de benodigde lichaamsbewegingen en (3) het uitvoeren van de diverse stappen van het motorische plan. Kan onhandig en schijnbaar onverschillig zijn (zelfs als hij zijn best doet om voorzichtig te zijn) en heeft vaak ongelukjes.

Planning grove motoriek:
Kan slechte motorische coördinatie hebben en onhandig zijn als hij zich tussen meubilair door, in een volle kamer of een drukke speelplaats beweegt. Heeft moeite met trappen, hindernisbanen, speeltuintoestellen en activiteiten waarbij de grote spieren zijn betrokken, zoals lopen, marcheren, kruipen en rollen. Nieuwe motorische vaardigheden, zoals touwtjespringen ontwikkelen zich soms aanzienlijk later dan bij anderen.

Planning fijne motoriek:
Kan moeite hebben met handmatige taken, zoals tekenen, schrijven, knopen handen dichtdoen, verpakkingen openmaken, bestek hanteren, puzzels maken, met lego spelen.

Planning fijne motoriek:
Kan moeite hebben met het tegelijkertijd gebruiken van beide ogen, het ogen volgen van bewegende voorwerpen, met focussen en de blik van een ver punt naar een punt dichterbij verplaatsen. Kan moeite hebben met het overschrijven van het schoolbord, bijhouden waar hij in zijn boek is en het ordenen van zijn tafeltje. Kan slordig schrijven en bij tekenen, met blokken bouwen en veters strikken een slechte oog-handcoördinatie hebben.

Planning fijne motoriek:
Kan moeite hebben met door een speen of rietje drinken, met eten, kauwen,  mond slikken, bellenblazen, ademhalen en de mond gesloten houden. Kwijlt soms erg. Heeft soms probleem met het articuleren van spraakgeluiden en duidelijk genoeg spreken om begrepen te worden (tegen zijn derde jaar).

 

Bron:

Boek ‘Uit de pas, omgaan met sensorische integratiestoornis bij kinderen van Carol Stock Kranowitz’